Dit boek heeft een heel lange tijd op mijn verlanglijstje gestaan, en de afgelopen weken heb ik dan eindelijk de tijd gevonden om het te lezen.

In zijn boek behandelt Fukuyama de these van Hegel dat er een universele geschiedenis bestaat, waarlangs de mensheid door de systematiek van sociale en economische veranderingen gedreven wordt. Uiteindelijk zal de mensheid, door de essentie van de mens in de vorm van Rationaliteit, Verlangen en Thymos, zoals die door Plato als kenmerken worden gezien, de liberale democratie als ideale vorm van samenleven zien, en niet, zoals Marx de universele geschiedenis interpreteerde, in het communisme.

De mens kan geduid worden in zijn acties door deze drie aspecten van rationaliteit, verlangen en thymos, waarbij thymos vertaald kan worden als gevoel van eigenwaarde. In den beginne, in het begin van de “geschiedenis”, is er de mens, die streeft naar erkenning van zijn waardigheid. Dit kan een persoon het beste doen door zijn leven te wagen, omdat hij daarmee laat zien dat hij een mens is; hij kan zich over zijn impuls heenzetten om te vluchten en zijn leven te bewaren, en laat daarmee zien dat hij meer is dan alleen verlangen; hij wordt de meester over zijn eigen leven. Wanneer twee personen strijden, zal er een winnaar (meester) en een verliezer (slaaf) zijn. Helaas is het zo dat deze relatie voor beide personen geen erkenning geeft voor zijn menselijke waardigheid. De slaaf krijgt totaal geen erkenning; hij wordt behandeld alsof hij geen mens is. Maar ook de meester krijgt geen erkenning. Immers, de slaaf is geen mens, en erkenning is alleen mogelijk van een ander mens. Fukuyama gebruikt de dialectiek van Hegel om te laten zien hoe de geschiedenis van samenlevingen verloopt. Dialectiek gaat ervan uit dat systemen met elkaar strijden om de overmacht, en dat systemen die intern contradictoir zijn zullen ophouden te bestaan. Interne contradicties kunnen hier gezien worden als gevoelens en krachten die in een samenleving opspelen die zo sterk zijn, dat de samenleving hierdoor niet kan blijven bestaan; er breken revoluties uit en er wordt een nieuwe staatsvorm ingesteld. Het communisme is hierbij een goed voorbeeld; het ideaal van gelijkheid hield een dergelijke mate van verlies van vrijheid in, evenals een gigantische economische inefficiëntie, die ervoor zorgden dat de samenleving uiteindelijk niet kon blijven functioneren; in 1991 werd de Sovjetunie daarom ook ontbonden en kwam er een kapitalistische democratie voor in de plaats. De interne contradictie van de meester-slaaf verhouding kan opgelost worden door iedereen een meester te maken, zodat iedereen elkaar wederzijds kan erkennen als een mens; deze universele waardigheid en erkenning is alleen te vinden in een democratie, waarin iedereen gelijk is en waardigheid via vertegenwoordiging afgedwongen kan worden.

Aan de ene kant zien we dus dat democratie geen interne contradicties heeft omdat iedereen zijn menselijke waardigheid erin kan vinden. Dit is het aspect vanthymosAan de andere kant zien we de aspecten van rationaliteit en verlangen. Dit verlangen wordt het beste gevoed door een markteconomie; dus kapitalisme.

Dit kan verklaard worden door de strijd van landen om de wereldmacht. Om deze strijd te kunnen winnen, dient er een technologisch hoogstaand leger te zijn die efficiënt ingezet kan worden. Fukuyama onderstreept hierbij het belang van de wetenschappelijke methode; doordat deze de werking van de natuur het beste kan onderzoeken en de kennis daarover het beste toe kan passen, worden landen min of meer gedwongen om wetenschappelijk bezig te zijn. Maar niet alleen wetenschap is nodig; ook kapitalisme, omdat dit het meest efficiënte systeem is om producten te produceren, en economisch de meeste macht geeft. Het kapitalisme is verder de beste manier om aan de verlangens van burgers te voldoen; de beste producten tegen de laagste prijs kunnen alleen gegarandeerd worden door goed werkende markten waarin concurrenten met elkaar strijden om op de beste manier aan de wensen van de burgers te voldoen.

Uiteindelijk zal volgens Fukuyama de ideale samenleving dus een liberale democratie zijn, en zullen de meeste landen dit ook bewerkstelligen; de empirie laat dan ook zien dat over de afgelopen eeuw steeds meer landen democratisch zijn geworden, en dat deze een ongekende stabiliteit tentoon spreiden. Dit dus in tegenstelling tot wat Marx beweerde, dat uiteindelijk het communisme “the end of history’ zou zijn.

Maar wat mij ontzettend intrigeert, is dat juist de liberale democratie tot vrijheid lijdt, en in toenemende mate tot steeds meer gelijkheid. Immers, de inkomensverschillen zijn over de eeuwen heen steeds kleiner geworden, en er is een steeds grotere middenklasse gevormd in de samenleving, die al met al als zeer welvarend gezien kan worden. Wat verder ook door Fukuyama aangehaald wordt, is dat op het einde er een “laatste mens” zal ontstaan, die Isothymia, gelijke waardigheid voor elke mens, tot het perfecte heeft nagestreefd. Mensen zullen op de grootste wijze gelijk van elkaar willen worden, omdat niemand zich de mindere wil voelen van de andere en dit in een democratie goed afgedwongen kan worden. De mens zou dan ophouden te bestaan, omdat hij gelijk is aan ieder ander; hij zou niet meer hoeven te strijden voor zijn waardigheid omdat die al tot in het perfecte wordt gegarandeerd, en in zijn verlangen door marktwerking ook totaal wordt voorzien.

Niet het communisme zorgt voor gelijkheid, maar een liberale democratie. En dat vind ik de meest fascinerende conclusie die ik uit dit boek heb kunnen trekken.

Advertisements